Kamer 124

Het was m’n dagje niet. De toeristen kwamen rond de middag al inchecken – de ene lading is nog maar net weg, of de volgende staat al te trappelen.

Een ouder Duitstalig koppel, kamer 124, stond om kwart na één aan mijn balie en voor de zoveelste keer zei ik mooi mijn lesje op: “De kamers zijn pas klaar om 14u, maar intussen kunt u uw bagage wel even in de bagageruimte laten. Dit is uw ontbijtkaartje… Enz.”

Ik dacht dat de ogen van de man gingen uitpuilen van verontwaardiging, en de vrouw trok haar mond geïrriteerd naar beneden. Toen begonnen ze: dat ze hier wel vaker kwamen, maar dat dit toch wel hun slechtste ontvangst was ooit, en dat dit zeker de laatste keer was dat ze bij ons verbleven. “U weet toch wel dat wij van de universiteit zijn?” vroeg de man; ja én? Moet ik nu schrik hebben of zo? “Wij worden behandeld als militairen”, zei de vrouw, al met haar rug half naar me toe, en nu was het mijn beurt om verbaasd te kijken. “Mijn vrouw sprak heel goed Engels”, snauwde de man toen ik om verduidelijking durfde vragen.

Als klanten moeilijk doen over het incheckuur, bel ik housekeepingverantwoordelijke Monsieur Plumeau op om te vragen of de kamer al klaar is, maar bij deze mensen voelde ik daar niets voor; wat een arrogant tweetal.

Ik moest bijna huilen om zoveel onbeleefdheid… Dat moeten de hormonen geweest zijn, dan vat ik alles veel persoonlijker op.