14

Naamgeving

Al mijn hele leven geef ik mensen namen. Ik stelde mezelf plechtig aan als officiële Naamgever. De functie noch de naam ervan is trouwens verzonnen, maar pikte ik uit de boeken van de Woudstoksaga (geschreven door Michael Tod). Leek me heerlijk om dat als job te doen later: iedereen namen geven. Dat dit enkel in de eekhoorn- of andere dierenwereld haalbaar is, dat zag ik als kind niet als onoverkomelijk. Mijn medemensen hadden zich maar te schikken.

Sindsdien geef ik alles en iedereen een naam.

Op papier, om te beginnen, durfde ik het soms wel ver drijven.
Alle vriendjes in mijn hoofd (paarden, tijgers, honden, you name it) kregen avonturen en een naam. Heelder stambomen en intriges verzon ik. In mijn dagboeken gaf ik de mensen over wie ik schreef een pseudoniem, hoewel die erg simpel was namelijk hun echte naam achterstevoren gespeld. Vijftien jaar later noem ik mijn eerste kinderliefde in mijn hoofd trouwens nog altijd bij zijn achterstevoren naam.
Bij het schrijven van mijn ‘verhalen’ vond ik niets leuker dan de personages een naam geven die perfect bij hen paste, als een tweede huid, zodat ik ze op den duur niet meer als creaties maar als vrienden ging beschouwen. Alsof ze echt waren. De naam van het hoofdpersonage was cruciaal en het is meermaals voorgekomen dat ik na vijftig bladzijden tot het besef kwam dat de eerste naam kweetnihoe lelijk was en koos ik alsnog een andere naam, en zo een paar keer opnieuw.
Voor mijn blog vond ik het dan ook helemaal geen opgave om alle ‘personages’ in mijn leven een pseudoniem te bezorgen om hun anonimiteit toch een beetje te bewaren. Meer nog, het draagt bij tot de charme van ‘anoniem’ bloggen.

In mijn hoofd doe ik daar vrolijk mee verder.

Ik ben nogal gesteld op regelmaat en routine. Dat heeft naar het schijnt weeral iets met hoogsensitiviteit te maken. De mensen die ik tijdens mijn dagroutine een paar keer ben tegengekomen, worden steevast gedoopt.
Zo noemde ik een jongen die ik elke ochtend op weg naar school met de fiets tegenkwam, heel erg origineel De Krullenjongen. Op het perron naar school zag ik bijna elke dag de mysterieuze Oranje.
Zus en ik hadden ‘vijanden’, die we Sul, Ezel, Eikel en De Vijanden Met De Vlaggetjes doopten.
Tijdens onze Intersoctijd was er niet genoeg geheugen om alle ‘normale’ namen in op te slaan. Jerommekes Moeder. De Magazijnier. De Sneeuwmannen. Queen Mum, de Hofnarren, Hare Majesteit. De Pinguïns.

Buurman Mister Jack laat zijn Jack Russell uit als ik de deur uitga, op eender welk moment van de dag.
De geitenkaasverkoper op de markt heet ‘de Sos’, omdat hij nogal socialistische praatjes verkoopt samen met zijn lekkere kaasjes. (Toegegeven: die naam gaf het lief hem.)

De mensen die ‘s avonds bij me aan de bushalte staan op De Heuvel zijn Monsieur Cigarette, Mister Gay, Mister Young, Madame Luipaard en Frau Helga. Onderweg stapt Mevrouw de Uil op, om alweer vóór mij af te stappen. Grump is de buschauffeur met wie ik een keer een aanvaring heb gehad – hopelijk herkent hij me intussen niet meer.
Het is voor mij altijd een geruststelling als ik hen zie, ook al spreek ik nooit met hen, en als ze er niet zijn voel ik me niet op m’n gemak, zo van “oei, ze zijn er niet, heb ik iets gemist, me vergist van uur, rijden de bussen niet, is de wereld vergaan?”. Nu ik in The Company werk, zal ik andere passeerders moeten zoeken voor regelmaat, houvast, zekerheid en het genot van het naamgeven. De enige die me tot nu al is opgevallen tijdens alledrie mijn ochtendlijke treinritten van de afgelopen week, is een kerel met knalroos haar tot over zijn schouder. Ja het is een man, daar ben ik zeker van. Ik heb hem Prince Pink gedoopt.

Het naamgeven is onderdeel van mijn innerlijke gevoelswezen, ik doe het meestal onbewust, net als ademen en denken in volzinnen.

Ben ik gek? Of doet u ook van die rare dingen in uw hoofd?

30

Het is af!

Ik schrijf al sinds mijn tienerjaren, toendertijd om de storm van gevoelens aan banden te leggen, als uitlaatklep. Uren, dagen, weken aan één stuk kon ik me verliezen in het schrijven; als ik niet achter mijn computer zat te typen dan ging het verhaal in mijn hoofd verder, tijdens de les, op de fiets, op de trein, in de auto, voor ik ging slapen, als ik opstond. Ik noemde zo’n rush heel mooi “de Schrijfkriebels”, ze namen me volledig over tot ik had geschreven wat ik moest schrijven, ik liet me door hen leiden en wist nooit waarheen de weg ging gaan, laat staan hoe het ging aflopen.

Van al die ‘stories’ zoals ik mijn baby’s placht te noemen – u zal mij het woord ‘boek’ of ‘manuscript’ nooit in de mond horen nemen, die naam zijn de verhalen volgens mij niet waard, zeker naast mijn grote idool Isabel Allende lijken mijn schrijfsels meer op stationsromannetjes – zijn er slechts drie die mij nu nog zo na aan het hart liggen dat ik ze de afgelopen jaren ben blijven herlezen en herwerken: eentje over mijn kindertijd, eentje over mijn Intersoc-tijd en eentje over mijn tienerjaren (dat het meest verzonnen is van allemaal). Meteen ook de drie grootste en belangrijkste periodes van mijn leven tot nu toe.

Als ‘schrijfster’ – ook dat vind ik een te schoon woord – heb ik een hekel aan melige happy endings. Als lezer daarentegen kan ik razend worden op schrijvers die hun boek slecht laten eindigen, alstublieft zeg, dagen erna ben ik daar nog niet goed van. Begrijpe wie begrijpe kan.

De afgelopen dagen ben ik ondergedoken in mijn Intersoc-verhaal, dat toen ik het in 2008 schreef, moest dienen als afsluiting van één van de belangrijkste periodes in mijn leven en zo’n beetje drie jaar van Intersocervaringen samenvat hoewel het verhaal zelf compleet is verzonnen (dat spreekt). Ik heb het voor de 586ste keer nagelezen en beslist om het einde definitief te schrappen en helemaal opnieuw te schrijven.

Met dank aan Alice trouwens… zij heeft me ertoe aan gezet om de draad voor de 586ste nog eens op te pakken, en met succes. ‘t Is echt gedaan, nu. Voor het eerst heb ik het gevoel dat het ‘af’ is. Dat ik klaar ben om mijn teergeliefde personages af te geven – Lie de verlegen Receptioniste, Vincent de stoere Magazijnier, Olivier de knappe Barman, Jaak en Kris de Huismeesters, Jasmijn de redster in nood, Aurora de overspelige beste vriendin, Thomas de trouwe collega, Nigel de Queen met al zijn onderdanen, en de Jungfrau als zij die alles weet en alles overschouwt.

Wat nu? Eén van mijn 101 voornemens voor de komende jaren is immers om één van mijn ‘stories’ op te sturen naar uitgeverijen. Maar hoe begin je daaraan?

5

Verpersoonlijkt

U vraagt zich misschien af: van waar deze ommekeer? Waarom stort LJ plots dagelijks haar hart uit in blogland? En dit nu al een paar weken aan een stuk, is het nog niet genoeg geweest?!

Ik wist niet goed meer welke kant ik opwilde met deze blog.
Zou ik blijven bij de oppervlakkige, licht sarcastische postjes over dingen waar ik me aan erger, dingen die mij opvallen, dingen die mij raken, dingen die mij verdriet doen, zolang ik maar een afstand kon behouden tussen Mijzelf en de rest van de blogwereld?
Of wilde ik terug overstappen op het aloude dagboekconcept, en mijn handgeschreven dagboek voor eens en voor altijd opgeven (na 568000 halfslachtige en onvermijdelijk mislukte pogingen om er opnieuw mee te beginnen na weken van stilte)?

Ik koos voor het laatste.

Maar tegenwoordig lijken al mijn dagen op elkaar: opstaan, werken, eten maken, afwassen, dingen opzoeken en regelen voor de verhuis, gaan slapen, de dagen rijgen zich slopend traag aaneen.
Met als nadeel dat ik begot niet zou weten wat te vertellen over vandaag zonder in herhaling te vallen. En zo’n blogmomenten zullen nog wel vaker volgen, vrees ik. Dus misschien kan ik op zulke lusteloze dagen mijn sarcastisch kantje bovenhalen en oppervlakkige, geïrriteerde postjes schrijven?

I’ll keep you posted…