Al mijn hele leven geef ik mensen namen. Ik stelde mezelf plechtig aan als officiële Naamgever. De functie noch de naam ervan is trouwens verzonnen, maar pikte ik uit de boeken van de Woudstoksaga (geschreven door Michael Tod). Leek me heerlijk om dat als job te doen later: iedereen namen geven. Dat dit enkel in de eekhoorn- of andere dierenwereld haalbaar is, dat zag ik als kind niet als onoverkomelijk. Mijn medemensen hadden zich maar te schikken.
Sindsdien geef ik alles en iedereen een naam.
Op papier, om te beginnen, durfde ik het soms wel ver drijven.
Alle vriendjes in mijn hoofd (paarden, tijgers, honden, you name it) kregen avonturen en een naam. Heelder stambomen en intriges verzon ik. In mijn dagboeken gaf ik de mensen over wie ik schreef een pseudoniem, hoewel die erg simpel was namelijk hun echte naam achterstevoren gespeld. Vijftien jaar later noem ik mijn eerste kinderliefde in mijn hoofd trouwens nog altijd bij zijn achterstevoren naam.
Bij het schrijven van mijn ‘verhalen’ vond ik niets leuker dan de personages een naam geven die perfect bij hen paste, als een tweede huid, zodat ik ze op den duur niet meer als creaties maar als vrienden ging beschouwen. Alsof ze echt waren. De naam van het hoofdpersonage was cruciaal en het is meermaals voorgekomen dat ik na vijftig bladzijden tot het besef kwam dat de eerste naam kweetnihoe lelijk was en koos ik alsnog een andere naam, en zo een paar keer opnieuw.
Voor mijn blog vond ik het dan ook helemaal geen opgave om alle ‘personages’ in mijn leven een pseudoniem te bezorgen om hun anonimiteit toch een beetje te bewaren. Meer nog, het draagt bij tot de charme van ‘anoniem’ bloggen.
In mijn hoofd doe ik daar vrolijk mee verder.
Ik ben nogal gesteld op regelmaat en routine. Dat heeft naar het schijnt weeral iets met hoogsensitiviteit te maken. De mensen die ik tijdens mijn dagroutine een paar keer ben tegengekomen, worden steevast gedoopt.
Zo noemde ik een jongen die ik elke ochtend op weg naar school met de fiets tegenkwam, heel erg origineel De Krullenjongen. Op het perron naar school zag ik bijna elke dag de mysterieuze Oranje.
Zus en ik hadden ‘vijanden’, die we Sul, Ezel, Eikel en De Vijanden Met De Vlaggetjes doopten.
Tijdens onze Intersoctijd was er niet genoeg geheugen om alle ‘normale’ namen in op te slaan. Jerommekes Moeder. De Magazijnier. De Sneeuwmannen. Queen Mum, de Hofnarren, Hare Majesteit. De Pinguïns.
Buurman Mister Jack laat zijn Jack Russell uit als ik de deur uitga, op eender welk moment van de dag.
De geitenkaasverkoper op de markt heet ‘de Sos’, omdat hij nogal socialistische praatjes verkoopt samen met zijn lekkere kaasjes. (Toegegeven: die naam gaf het lief hem.)
De mensen die ‘s avonds bij me aan de bushalte staan op De Heuvel zijn Monsieur Cigarette, Mister Gay, Mister Young, Madame Luipaard en Frau Helga. Onderweg stapt Mevrouw de Uil op, om alweer vóór mij af te stappen. Grump is de buschauffeur met wie ik een keer een aanvaring heb gehad – hopelijk herkent hij me intussen niet meer.
Het is voor mij altijd een geruststelling als ik hen zie, ook al spreek ik nooit met hen, en als ze er niet zijn voel ik me niet op m’n gemak, zo van “oei, ze zijn er niet, heb ik iets gemist, me vergist van uur, rijden de bussen niet, is de wereld vergaan?”. Nu ik in The Company werk, zal ik andere passeerders moeten zoeken voor regelmaat, houvast, zekerheid en het genot van het naamgeven. De enige die me tot nu al is opgevallen tijdens alledrie mijn ochtendlijke treinritten van de afgelopen week, is een kerel met knalroos haar tot over zijn schouder. Ja het is een man, daar ben ik zeker van. Ik heb hem Prince Pink gedoopt.
Het naamgeven is onderdeel van mijn innerlijke gevoelswezen, ik doe het meestal onbewust, net als ademen en denken in volzinnen.
Ben ik gek? Of doet u ook van die rare dingen in uw hoofd?